⸺ Show me the science
Over babyslaap lees je van alles, en veel ervan spreekt elkaar tegen. Daarom laten we hier zien waar onze cursussen op rusten. PIP Academy is opgezet door Melanie Bakker, (Forensisch) Orthopedagoog MSc. en praktijkhouder van Praktijk Lucas, in samenwerking met Tessa Verdonk, die alles regelt behalve de inhoud. De cursussen maakten we samen met (gz-)psychologen, orthopedagoog-generalisten, orthopedagogen en andere professionals uit onze praktijk. We zijn geen slaapcoaches. We kijken naar slaap vanuit ontwikkeling, hechting en de band tussen jou en je kind.

⸺ Onze belofte
We zeggen er altijd bij hoe stevig iets is. Daarvoor gebruiken we drie soorten zinnen:
Onze cursussen zijn wetenschappelijk onderbouwd. Dat betekent: we bouwen op het beste onderzoek dat er is en op de Nederlandse richtlijnen. Het betekent níet dat onze aanpak bewezen is. Dat zeggen we er eerlijk bij.
⸺ Onze informatie
Welke methodes werken, en waarom zachte methodes even effectief zijn.
Wat huilen ons vertelt over honger, vermoeidheid en regulatie.
Hoe veilige verbinding ontstaat en wat ouders kunnen doen.
Hier volgen we altijd de richtlijn.
Wanneer hulp zoeken, en wat helpt bij ouderschapsstress.
⸺ Overzicht van bronnen
De Britse psychiater John Bowlby beschreef hechting als een aangeboren veiligheidssysteem. Voelt een baby zich niet veilig, dan zoekt hij de nabijheid van zijn ouder. Huilen, je zoeken met zijn ogen, zich aan je vastklampen: dat is gezond hechtingsgedrag, geen slechte gewoonte.
De psycholoog Mary Ainsworth liet zien dat een kind zijn ouder op twee manieren gebruikt. Als veilige basis, van waaruit hij de wereld gaat ontdekken. En als veilige haven, waar hij naar terugkomt als het even te veel wordt. Het Circle of Security-model maakt dat voor ouders heel concreet (Hoffman e.a., 2017). Hechtingstheorie is voor ons de basis voor hoe we naar kinderen kijken (Cassidy & Shaver, 2016). Het is geen bewijs voor of tegen een bepaalde slaapmethode. Daarover gaat het blok over slaaptraining.
Wat we zeker weten
Wat we minder zeker weten
Er is één kleine studie waarin baby's die veel gedragen werden later vaker veilig gehecht waren (Anisfeld e.a., 1990). Het was een kleine groep, en het onderzoek is nooit op grote schaal herhaald. Dragen is dus fijn als het bij jullie past, maar niet nodig voor een goede band.
En de opvang? Kinderen kunnen daar prima gedijen. Wel liet een Nederlandse meta-analyse zien dat het stresshormoon cortisol bij jonge kinderen in de loop van een opvangdag stijgt, vooral bij kinderen onder de drie jaar. Thuis gebeurde dat niet (Vermeer & Van IJzendoorn, 2006). Dat is geen reden tot schuldgevoel. Het verklaart wel waarom je kind na een opvangdag vaak extra moe is en jou extra nodig heeft.
Wat dit betekent in onze cursussen: nabijheid is nooit het probleem. Wil je iets veranderen aan hoe je kind in slaap valt? Dan doe je dat in kleine stappen, en je kind is nooit alleen met paniek. Jij blijft de veilige haven.
Bronnen
Infant Mental Health (IMH) gaat over hoe jonge kinderen zich emotioneel ontwikkelen, van de zwangerschap tot hun vijfde jaar. Het gaat om het groeiende vermogen om veilige relaties aan te gaan, gevoelens te ervaren en te hanteren, en de wereld te ontdekken. Altijd binnen het gezin en de cultuur waarin een kind opgroeit (ZERO TO THREE, 2001; Zeanah, 2019).
Onderzoek laat zien dat jonge hersenen zich ontwikkelen in relaties: in het heen en weer van signaal en reactie tussen kind en volwassene (Shonkoff & Phillips, 2000). De Wereldgezondheidsorganisatie noemt dat nurturing care: goede gezondheid en voeding, veiligheid, kansen om te leren, en vooral responsieve zorg (WHO e.a., 2018).
Wat dit betekent in onze cursussen: slaap staat nooit los van hoe je kind zich voelt, en van jullie band. En ook niet van hoe het met jou gaat. Daarom kijken we altijd naar het hele gezin.
Bronnen
Een baby kan zijn eigen gevoelens nog niet rustig maken. Dat leert hij door het heel vaak samen met jou te doen. Jij ziet dat hij van slag is, je blijft zelf zo rustig als je kunt, en je helpt hem terug naar rust met je stem, je armen en je nabijheid. Dat heet co-regulatie.
Wat onderzoek laat zien
De Amerikaanse onderzoekers Katie Rosanbalm en Desirée Murray zetten het onderzoek naar co-regulatie op een rij (2017). Ze beschrijven drie bouwstenen: een warme, responsieve relatie, een voorspelbare omgeving, en stap voor stap voordoen en helpen, passend bij de leeftijd. Hoe jonger het kind, hoe meer co-regulatie het nodig heeft.
De Israëlische onderzoekster Ruth Feldman liet zien dat ouder en kind niet alleen hun gedrag op elkaar afstemmen, maar ook hun lichaam, zoals hartritme en blik. Zij noemt dat synchronie (Feldman, 2007). Het Center on the Developing Child van Harvard University noemt de kleine heen-en-weermomentjes tussen kind en ouder serve and return. Je kind "serveert" met een blik, een geluidje of een huiltje, en jij "slaat terug" door te reageren. Volgens het centrum spelen die momenten een grote rol bij hoe de hersenen van een jong kind zich ontwikkelen.
Wat dit betekent in onze cursussen: zelf in slaap vallen is bij ons geen harde eis. Het groeit uit heel vaak samen tot rust komen. Daarom begint elke stap in ons stappenplan bij jouw rust en jouw nabijheid. Je bouwt die hulp pas af als je kind er klaar voor is, en in jullie tempo.
Bronnen
Sensitiviteit betekent de signalen van je kind opmerken, ze begrijpen en er op tijd en passend op reageren. Dat klinkt als iets wat je altijd goed moet doen. Het onderzoek laat iets geruststellenders zien.
Wat onderzoek laat zien
De Nederlandse onderzoekers Marianne de Wolff en Marinus van IJzendoorn zetten in 1997 alle studies naar sensitiviteit en hechting op een rij: 66 onderzoeken met samen ruim 4.000 gezinnen. Sensitiviteit hing samen met veilige hechting, maar het verband was bescheiden. Andere dingen bleken minstens zo belangrijk: samen plezier hebben in het heen en weer, in hetzelfde ritme komen, en emotionele steun.
De Britse onderzoekster Elizabeth Meins voegde daar iets aan toe: mind-mindedness. Ouders die hun baby zien als klein mens met een eigen binnenwereld ("Hij vindt dit spannend"), hadden vaker een veilig gehecht kind (Meins e.a., 2001). Een latere meta-analyse bevestigde dat (Zeegers e.a., 2017). En het goede nieuws: sensitiviteit is te leren. Korte, gerichte ondersteuning voor ouders werkte het best (Bakermans-Kranenburg e.a., 2003).
Uit de pas lopen hoort erbij
De Amerikaanse onderzoeker Edward Tronick liet zien dat ouders en baby's ook in fijne relaties vaak uit de pas lopen. Ze missen elkaars signalen even, en vinden elkaar dan weer terug. Volgens Tronick is juist dat herstel belangrijk. In zijn bekende still-face-experiment kijkt een ouder even met een strak gezicht, zonder te reageren. Baby's raken daar snel van slag, en herstellen weer als de ouder terugkomt in het contact (Mesman e.a., 2009). Zo leert je kind: als het even misgaat, komt het weer goed.
Wat dit betekent in onze cursussen: je hoeft het niet perfect te doen. Een avond waarop je je geduld verliest, is geen schade. Wat telt, is dat je daarna weer contact maakt. In de cursussen oefenen we daarom met afstemmen én met herstellen.
Bronnen
Onze cursussen zijn 100% zonder slaaptraining. Dus geen laten huilen, geen gecontroleerd huilen en geen timers. Toch vind je hier het onderzoek naar slaaptraining. Wij vinden dat je mag weten wat er bekend is, ook als het niet onze keuze is. Dat is nodig, want ouders krijgen al jaren tegenstrijdig advies. In een analyse van 40 Amerikaanse adviesboeken over slaap steunde 61 procent laten huilen, en was 40 procent tegen samen slapen (Ramos & Youngclarke, 2006).
Wat onderzoek laat zien
De meeste slaapaanpakken helpen op korte termijn. Een groot overzicht (Mindell e.a., 2006) bekeek 52 studies bij kinderen tot 5 jaar. De meeste aanpakken verbeterden de slaap, en in geen van de studies werden nadelige bijwerkingen gevonden. Een groot deel van die aanpakken liet een kind (gecontroleerd) huilen. Maar ook zachtere routes hielpen: een vast ritueel, een goed getimede bedtijd, en uitdoven waarbij de ouder in de kamer blijft. Een nieuwer overzicht van Lecuelle en collega's (2024) komt tot een vergelijkbare conclusie. In een Australisch onderzoek bij moeders van baby's van 6 tot 12 maanden verminderde een korte aanpak de slaapproblemen. Ook de stemming van de moeders verbeterde op korte termijn (Hiscock & Wake, 2002).
Er is geen schade aangetoond. In het Australische onderzoek van Michael Gradisar en collega's (2016) kregen 43 baby's van 6 tot 16 maanden gecontroleerd huilen, een latere bedtijd die stap voor stap vervroegd werd (bedtime fading), of alleen voorlichting. Een jaar later waren er geen verschillen in hechting of in emotionele en gedragsproblemen. Anna Price en collega's (2012) volgden 225 kinderen tot ze zes jaar waren. Hun ouders hadden rond acht tot tien maanden geleerd om hun baby met korte bezoekjes of met hun eigen aanwezigheid in de kamer te leren slapen. Er waren geen verschillen in de band met de ouders, in emotioneel welzijn of in stresshormoon. Maar ook geen blijvende winst in slaap.
Ook de Nederlandse richtlijn is hierover duidelijk. De JGZ-richtlijn Slaap (2026) schrijft dat aangepaste, geleidelijke extinctiemethoden niet schadelijk zijn voor de hechting, als ze goed worden uitgevoerd en begeleid. De richtlijn raadt ze wel af bij kinderen met trauma of hechtingsproblemen, en bij psychische problemen in het gezin.
Er is ook onderzoek dat vragen oproept. In een klein Nieuw-Zeelands onderzoek (Middlemiss e.a., 2012) stopten 25 baby's van 4 tot 10 maanden in een vijfdaags slaapprogramma in een kliniek na een paar dagen met huilen, maar bleef hun stresshormoon verhoogd. Dat van hun moeders daalde wel. Het onderzoek was klein, had geen controlegroep en keek maar een paar dagen vooruit. Het bewijst dus niet dat slaaptraining schaadt. Het laat wel zien dat "stil" niet altijd hetzelfde is als "rustig".
Wat we níét weten
Goed onderzoek bij baby's is moeilijk. Je kunt ze niet vragen hoe het voelt. Gezinnen haken af tijdens een onderzoek. En wat je meet, zoals een hechtingstest of stresshormoon, vangt maar een deel van de ervaring. De meeste studies gingen over baby's van zes maanden en ouder. Het eerlijke antwoord is dus: er is geen schade aangetoond, en er is ook veel wat we nog niet weten.
En onder de zes maanden? Daar is het bewijs het dunst. Een systematisch overzicht van Pamela Douglas en Peter Hill (2013) vond geen aanwijzingen dat slaapaanpakken in de eerste zes maanden de slaap van baby's of het welzijn van moeders op langere termijn verbeteren. Ook een meta-analyse van Kempler en collega's (2016) vond in de maanden na de geboorte geen duidelijk effect op de slaap van de baby. Daarom werken we in de cursus 0-4 maanden niet met een stappenplan, maar met uitleg, ritme als houvast en veel troost.
Hoe zit het met zachte aanpakken?
Naar aanpakken waarbij de ouder erbij blijft en stap voor stap minder helpt, is veel minder onderzoek gedaan. In het onderzoek van Gradisar hielp de aanpak zonder huilen wel: bij bedtime fading vielen baby's net zo goed sneller in slaap. Minder vaak wakker worden 's nachts zagen de onderzoekers alleen bij gecontroleerd huilen. In geen van beide groepen vonden ze extra stress bij de baby, gemeten met cortisol in speeksel. De stemming van de moeders veranderde in geen van de groepen.
Een kleine pilotstudie (Blunden e.a., 2022) vond dat een responsieve aanpak het slapen ongeveer even goed hielp als gecontroleerd huilen. De moeders in die groep hadden minder stress en minder depressieve klachten. Ook een programma waarin ouders leren reageren zonder hun baby te laten huilen, liet een betere slaap zien (Middlemiss e.a., 2017). Dat onderzoek had alleen geen vergelijkingsgroep. Dit is bemoedigend, maar voorlopig. De JGZ-richtlijn Slaap noemt afstemming op de signalen van het kind ook als aanpak (cued care), en zegt er eerlijk bij dat daar nog weinig onderzoek naar is. Ons eigen stappenplan als geheel is niet apart onderzocht. Het is gebouwd op wat we weten over hechting, co-regulatie en slaap.
Waarom wij dan toch de zachte weg kiezen
Waarom werken wij dan zonder slaaptraining? Omdat een zachte aanpak ook kan werken. Misschien gaat het wat langzamer, maar je komt er wel. Het past ook bij wat veel ouders van binnen voelen: ze willen reageren als hun kind huilt. En een aanpak die bij je past, houd je beter vol, en dan blijf je ook beter beschikbaar voor je kind. Bovendien heeft een baby onder de vier maanden sowieso nog veel hulp nodig bij het slapen. En je hoeft niet te kiezen tussen slaap en nabijheid. Met ons stappenplan bouw je nabijheid af in jullie eigen tempo. Je kind is nooit alleen met paniek, en een stap terug mag altijd. Daarom zeggen we ook nooit dat ouders die voor slaaptraining kiezen hun kind beschadigen. Dat zou niet eerlijk zijn. Wij bieden een andere weg, voor ouders die het anders willen.
Bronnen
Babyslaap is geen volwassen slaap in het klein. Slaap ontwikkelt zich, net als kruipen en praten: stap voor stap, en bij het ene kind sneller dan bij het andere.
Wakker worden hoort erbij
Een kind doorloopt elke nacht meerdere slaapcycli, en wordt daartussen vaak even wakker. Veel baby's vallen dan zelf weer in slaap. Nachtelijke video-opnames laten zien dat dit vermogen om jezelf te sussen in het eerste jaar geleidelijk groeit, en per kind heel verschillend verloopt (Burnham e.a., 2002). In een Londense studie met 101 baby's viel ongeveer een kwart op 5 weken en op 3 maanden minstens één keer 's nachts zelf weer in slaap, zonder hulp van een ouder. Die baby's sliepen later vaker lange stukken achter elkaar (St James-Roberts e.a., 2015). Andere baby's hebben daar nog lang hulp bij. De meeste baby's worden in de loop van het eerste jaar minder vaak wakker, maar dat gaat met ups en downs. Een groot Noors onderzoek liet zien dat kinderen daarin heel verschillende patronen volgen (Henderson e.a., 2010; Hysing e.a., 2014).
Doorslapen is geen norm
Hoe groot de verschillen zijn, liet een Canadees onderzoek van Marie-Hélène Pennestri en collega's (2018) zien. Met zes maanden sliep 38 procent van de baby's nog geen zes uur achter elkaar. Met twaalf maanden was dat 28 procent. Die baby's ontwikkelden zich net zo goed als baby's die wel doorsliepen, en hun moeders hadden niet vaker stemmingsklachten. Ook een overzicht van observatiestudies (Galland e.a., 2012) en de JGZ-richtlijn Slaap (2026) laten grote verschillen in slaapduur zien. De richtlijn zegt er nadrukkelijk bij: de getallen zijn gemiddelden, geen aanbeveling.
Grote stappen, onrustige nachten
Een grote stap in de ontwikkeling kan de slaap even op zijn kop zetten. Baby's die leerden kruipen, werden in die periode 's nachts vaker wakker (Scher & Cohen, 2015). Rond andere motorische mijlpalen zie je hetzelfde (Berger & Moore, 2021). Wanneer een kind die mijlpalen haalt, verschilt ook flink: zelfstandig leren lopen ligt volgens de WHO ergens tussen ongeveer 8 en 18 maanden (WHO, 2006). Ook temperament speelt mee in hoe een kind slaapt (Hayes e.a., 2011; Breda e.a., 2024). En tandjes? Die geven vooral wat onrust en kwijlen, en veel minder vaak ernstige klachten dan vaak gedacht wordt (Massignan e.a., 2016).
Genoeg slaap blijft belangrijk
Doorslapen is geen norm, maar slaap doet er wel toe. Een moe kind kan minder goed met frustratie omgaan (Ross & Karraker, 1999).
Wat dit betekent in onze cursussen: we beloven niet dat je kind na de cursus doorslaapt. Dat kan niemand eerlijk beloven. We helpen je begrijpen wat past bij de leeftijd van je kind, wat je kunt doen om het makkelijker te maken, en wanneer het verstandig is om hulp te vragen.
Bronnen
Ritme geeft houvast, voor je kind en voor jou. Maar het is een landkaart, geen schema als wet.
Hoeveel slaap?
De American Academy of Sleep Medicine adviseert, inclusief dutjes: 12 tot 16 uur per etmaal voor baby's van 4 tot 12 maanden, 11 tot 14 uur voor kinderen van 1 tot 2 jaar, en 10 tot 13 uur voor kinderen van 3 tot 5 jaar (Paruthi e.a., 2016). Dat zijn ruime marges, en dat is niet voor niets. Een Zwitsers onderzoek dat kinderen jarenlang volgde, liet zien hoe groot de verschillen tussen kinderen zijn (Iglowstein e.a., 2003). Ook tussen landen en culturen verschilt het flink (Mindell e.a., 2010).
Dutjes
Het aantal dutjes neemt af met de leeftijd. De meeste kinderen stoppen tussen 3 en 5 jaar met hun middagdutje (Staton e.a., 2020). Dutjes en nachtslaap hangen samen: bij peuters kan een lang of laat middagdutje zorgen voor een latere bedtijd en een iets kortere nacht (Thorpe e.a., 2015; zie ook Reynaud e.a., 2026). Tegelijk maakt te weinig slaap peuters kwetsbaar. Toen kinderen van 2,5 tot 3 jaar in een onderzoek één middagdutje misten, reageerden ze daarna minder blij en sneller van slag (Berger e.a., 2012).
Het biologische klokje en licht
Jonge kinderen zijn van nature vaak vroege vogels. Pas in de puberteit schuift de klok op naar later (Randler e.a., 2017). Het klokje bepaalt ook wanneer een kind klaar is om te slapen. Peuters die naar bed gingen vóór hun lichaam het slaaphormoon melatonine begon aan te maken, lagen langer wakker (LeBourgeois e.a., 2013). Licht speelt daarbij een grote rol. Fel licht in de avond remt bij jonge kinderen de aanmaak van melatonine sterk (Akacem e.a., 2018).
Bewegen en buiten spelen
Kinderen onder de vijf jaar die overdag meer bewegen en minder tijd achter een scherm doorbrengen, slapen gemiddeld beter (Janssen e.a., 2020). Voor baby's telt buiktijd mee: die is goed voor de motorische ontwikkeling (Hewitt e.a., 2020).
Wat dit betekent in onze cursussen: we werken met wakkertijden, dutjes en een passende bedtijd per leeftijd. Als houvast, niet als regel. Een donkere, rustige avond en veel daglicht en beweging overdag helpen het klokje. En de signalen van je kind gaan altijd voor.
Bronnen
Voeden en slapen horen bij jonge kinderen bij elkaar. In slaap drinken is geen slechte gewoonte, maar een van de meest natuurlijke manieren om tot rust te komen.
Nachtvoedingen zijn gewoon
Ook na zes maanden worden veel baby's 's nachts nog wakker en krijgen ze een voeding. In een Brits onderzoek bij baby's van 6 tot 12 maanden hing meer vaste voeding overdag niet samen met minder nachtvoedingen (Brown & Harries, 2015).
Een papje voor het slapen?
In een groot Brits onderzoek kreeg een deel van de baby's al vanaf drie maanden vaste voeding. Zij sliepen gemiddeld ongeveer een kwartier per nacht langer (Perkin e.a., 2018). Dat is een klein verschil. En zo vroeg beginnen wordt in Nederland niet aangeraden. Wij adviseren om rond zes maanden te beginnen met oefenen, als je baby met steun rechtop kan zitten.
Speen en tongriem
Een Cochrane-overzicht vond dat een speen bij gezonde, voldragen baby's de borstvoeding niet duidelijk korter maakte (Jaafar e.a., 2016). Het knippen van een tongriempje verminderde bij moeders op korte termijn de pijn aan de tepels. Voor een beter lopende borstvoeding is het bewijs beperkt (O'Shea e.a., 2017).
Reageren op signalen, ook bij voeden
Bij voeden werkt het net als bij slapen: je kijkt naar de signalen van je kind en reageert daarop. Onderzoekers noemen dat responsief voeden (Black & Aboud, 2011).
Wat dit betekent in onze cursussen: in slaap voeden mag, met de borst en met de fles. Wil je 's nachts minder voeden, dan leer je hoe dat zacht kan, in jullie tempo. Heb je vragen over de voeding zelf of over de groei van je kind? Dan verwijzen we je naar het consultatiebureau of een lactatiekundige.
Bronnen
Huilen is de eerste taal van je baby. Het is geen teken dat je iets fout doet, maar zijn manier om te zeggen: ik heb je nodig.
De huilpiek
Bij bijna alle baby's neemt het huilen in de eerste weken toe. Een grote analyse van onderzoeken uit veel landen vond een piek rond vijf tot zes weken, met gemiddeld ruim twee uur huilen en jengelen per dag. Daarna neemt het geleidelijk af (Vermillet e.a., 2022). Die piek lijkt universeel. Onderzoekers vonden hem ook bij baby's van de !Kung San in Botswana, die bijna de hele dag gedragen worden en direct aan de borst mogen. Die baby's huilden net zo vaak, maar hun huilbuien waren veel korter (Barr e.a., 1991).
Er is niet één goede manier
In een onderzoek in Londen en Kopenhagen huilden baby's met veel nabijheid en snelle reacties in de eerste weken in totaal minder (St James-Roberts e.a., 2006). Het ontroostbare huilen was in alle groepen even groot. En de baby's met de meeste nabijheid werden rond twaalf weken 's nachts vaker wakker. Elke manier van zorgen heeft zo zijn eigen voor- en nadelen.
Wat helpt bij troosten?
Rondlopen met je baby in je armen kalmeert vaak snel. In een Japans onderzoek werd de hartslag van huilende baby's lager zodra hun moeder met hen ging lopen (Esposito e.a., 2013). Een vervolgonderzoek gaf een concreet advies: loop ongeveer vijf minuten rond, ga daarna vijf tot acht minuten zitten met je baby in je armen, en leg hem pas dan neer. Dan werden baby's minder vaak wakker bij het neerleggen (Ohmura e.a., 2022). Of extra dragen overdag het huilen vermindert, is niet duidelijk. Het ene onderzoek vond minder huilen (Hunziker & Barr, 1986), het andere niet (St James-Roberts e.a., 1995).
Veel huilen is zwaar, ook voor jou
Ontroostbaar huilen hangt samen met meer somberheid bij moeders (Radesky e.a., 2013). Veel huilen legt ook druk op het contact tussen ouder en kind (Papoušek & von Hofacker, 1998). Dat zegt niets over wat voor ouder je bent. Het betekent dat je steun verdient.
Wat dit betekent in onze cursussen: we leren je signalen lezen en je baby kalmeren met je stem, je armen en jouw rust. En we vertellen je eerlijk dat sommige baby's ook met de beste zorg veel huilen. Huilt je baby veel, of maak je je zorgen? Bespreek het met het consultatiebureau of de huisarts.
Bronnen
Huilen hoort bij jonge baby's. Onderzoek laat zien dat het huilen de eerste weken toeneemt, rond 5 à 6 weken piekt met gemiddeld ruim twee uur huilen en jengelen per dag, en daarna afneemt (Vermillet e.a., 2022). Rondlopen met je baby in je armen kalmeert vaak snel (Esposito e.a., 2013; Ohmura e.a., 2022). Of extra dragen overdag het huilen vermindert, is niet duidelijk: de onderzoeken spreken elkaar tegen.
Bronnen
Peuters willen zelf, en hebben jou nog hard nodig. Dat maakt bedtijd soms pittig. Het goede nieuws: veel van wat je ziet, hoort gewoon bij de leeftijd.
Driftbuien horen erbij
In een groot Amerikaans onderzoek bij kinderen van 3 tot 5 jaar had bijna elk kind weleens een driftbui. Dagelijkse driftbuien kwamen maar bij een kleine groep voor (Wakschlag e.a., 2012). Emotiecoaching helpt: je benoemt het gevoel van je kind, je laat merken dat het er mag zijn, en daarna help je met de grens. Dat idee komt van de psycholoog John Gottman (Gottman e.a., 1996). In een Australisch onderzoek met de oudercursus Tuning in to Toddlers gingen ouders beter om met de gevoelens van hun kind, en hadden kinderen minder gedragsproblemen (Havighurst e.a., 2022).
Angst in de nacht is heel gewoon
Angsten in de nacht komen veel vaker voor dan ouders denken. In een Nederlands onderzoek bij kinderen van 4 tot 12 jaar had ongeveer driekwart weleens angst in de nacht (Muris e.a., 2001). Jonge kinderen vinden het ook nog lastig om fantasie en echt uit elkaar te houden. Kinderen die dat moeilijker vonden, hadden vaker angst in de nacht (Zisenwine e.a., 2013). Een monster onder het bed wegpraten helpt dus niet altijd. Serieus nemen en troosten wel.
Een knuffel helpt echt
Een vertrouwde knuffel of doekje kan een kind troosten als jij er even niet bent (Winnicott, 1953; Passman, 1977). In een Israëlisch onderzoek kregen kleuters met angst in de nacht een knuffelhond om voor te zorgen. Hun angsten namen af (Kushnir & Sadeh, 2012).
Wat dit betekent in onze cursussen: we werken warm én duidelijk. Je kind mag protesteren, en jij blijft rustig en warm. Is je kind echt bang of in paniek, dan troost je altijd. We werken niet met straffen, stickerkaarten of beloningen.
Bronnen
In onze cursussen zijn we flexibel over ritme, nabijheid en tempo. Over veilig slapen niet. Daar volgen we de Nederlandse adviezen van VeiligheidNL, de Jeugdgezondheidszorg (het consultatiebureau) en Thuisarts, zonder uitzonderingen.
De basis
Altijd op de rug te slapen leggen. Een slaapzak in plaats van dekens. Niets extra's in bed. En in het eerste halfjaar in een eigen bedje op de kamer van de ouders.
Wat onderzoek laat zien
Rugligging en een leeg bed. In een groot Amerikaans onderzoek hingen buikligging en zacht beddengoed samen met een hoger risico op wiegendood (Hauck e.a., 2003).
Inbakeren. Inbakeren is vooral riskant als een baby op zijn buik of zij ligt, en het risico neemt toe naarmate een baby ouder wordt (Pease e.a., 2016). Daarom is inbakeren in Nederland geen standaardadvies.
Borstvoeding. Borstvoeding van minstens twee maanden gaat samen met ongeveer de helft minder kans op wiegendood (Thompson e.a., 2017).
Witte ruis. Sommige slaapapparaatjes kunnen op vol volume harder zijn dan veilig is voor babyoren (Hugh e.a., 2014). Zet het dus zacht, en nooit in of op het bedje.
Samen slapen: wat weten we?
Over het risico van samen slapen zijn onderzoekers het niet helemaal eens. Zeker is dat het risico groter is bij jonge baby's, en als er andere risico's meespelen. Denk aan roken, alcohol, medicijnen, een bank of fauteuil, of een baby die te vroeg is geboren (Blair e.a., 2014). Daarom is het Nederlandse advies: de eerste vier maanden niet samen in één groot bed.
Over samen slapen en hechting of zelfstandigheid is het bewijs zwak, in beide richtingen (Mileva-Seitz e.a., 2017; Bilgin & Wolke, 2022). Een Amerikaans onderzoek dat kinderen tot hun achttiende volgde, vond geen nadelige gevolgen van samen slapen in de kindertijd (Okami e.a., 2002). En een kamer delen na de eerste maanden kan samengaan met iets korter slapen (Paul e.a., 2017). Er is dus niet één goede keuze.
Wat dit betekent in onze cursussen: samen slapen en een eigen plek zijn allebei goede keuzes. Slapen jullie samen? Dan leggen we uit wat het officiële advies is en waarom, en wat je kunt doen om het zo veilig mogelijk te maken.
Bronnen
Slapeloze nachten zijn niet alleen zwaar voor je kind. Ze zijn ook zwaar voor jou. En hoe het met jou gaat, doet ertoe, voor jezelf en voor je kind.
Wat onderzoek laat zien
Moeders van baby's met slaapproblemen hebben vaker depressieve klachten (Hiscock & Wake, 2001; Bayer e.a., 2007). Slecht slapen en somberheid versterken elkaar ook. Slapeloosheid is niet alleen een gevolg van depressie en angst, maar ook een risicofactor (Swanson e.a., 2011; Dørheim e.a., 2009). Vooral vermoeidheid lijkt daarbij een rol te spelen (Dennis & Ross, 2005). En slaap en huilen van een baby leggen druk op de relatie tussen de ouders (Meijer & van den Wittenboer, 2007).
Er is ook goed nieuws
Een periode met veel huilen, zoals bij darmkrampjes, laat bij de meeste moeders geen blijvende sporen na (Clifford e.a., 2002). Veel huil- en slaapproblemen in de eerste maanden gaan vanzelf over (Wake e.a., 2006). En als de slaap in een gezin verbetert, gaat het vaak ook beter met de ouders (Hiscock e.a., 2007; Eckerberg, 2004). Let wel: de meeste van deze studies laten een verband zien, geen oorzaak en gevolg.
Wat dit betekent in onze cursussen: we kijken altijd ook naar jou. Hoe gaat het met je rust? Wie kan je helpen? Wat is voor jullie haalbaar? Het is geen luxe om voor jezelf te zorgen. Het helpt je kind ook.
Wanneer hulp zoeken? Voel je je al langer dan twee weken somber, angstig of leeg? Heb je nergens meer plezier in, of kun je niet slapen, ook als je kind slaapt? Bespreek het met je huisarts, verloskundige of het consultatiebureau. Loop je zo vast dat je bang bent dat je je kind iets aandoet? Leg je kind veilig in bed, loop even weg, en bel je huisarts of iemand die je vertrouwt.
Bronnen
Wat maakt een bedtijd fijn? Niet zozeer wat je precies doet, maar hoe je erbij bent. En een vast ritueel helpt.
Emotioneel beschikbaar zijn
De Amerikaanse onderzoeker Douglas Teti filmde moeders van baby's van 1 tot 24 maanden terwijl ze hun kind naar bed brachten (Teti e.a., 2010). Wélke dingen de moeders deden, zoals voeden, wiegen of neerleggen, hing niet samen met hoe de baby sliep. Hoe emotioneel beschikbaar ze waren wel. Baby's van ouders die warm, rustig en niet opdringerig waren, sliepen beter. Het was een klein onderzoek, en het laat een verband zien, geen oorzaak. Maar het past bij alles wat we weten over co-regulatie.
Een vast ritueel
In een onderzoek van Jodi Mindell en collega's (2009) vielen kinderen van 7 tot 36 maanden sneller in slaap en werden ze 's nachts minder vaak wakker, als hun ouders twee weken lang elke avond hetzelfde korte ritueel volgden. Ook de stemming van de moeders verbeterde. Let op: dat onderzoek werd betaald door een fabrikant van verzorgingsproducten. De uitkomsten passen wel bij later onderzoek (Mindell & Williamson, 2018). De JGZ-richtlijn Slaap noemt een vaste bedtijdroutine een snelle en effectieve aanpak bij slaapproblemen en bij strijd rond bedtijd.
Wat dit betekent in onze cursussen: we geven je geen trucje dat je strak moet uitvoeren. We helpen je een avond te vinden die bij jullie past en die je volhoudt. Een aanpak die bij jou past, maakt het makkelijker om rustig en beschikbaar te blijven.
Bronnen
Naast onderzoek volgen we de adviezen van deze organisaties. Bij veilig slapen, voeding en gezondheid zijn de Nederlandse richtlijnen altijd leidend.
Nederland
Internationaal